Sonnet 18

Ben jij gelijk een zwoele zomerdag?
Nee, jij bent liever, zoet en wel zo mild .
Soms rukt een hoos aan ’t tere spinnenrag
En zomers zijn al vliegensvlug verstild.
Niet zelden schijnt de koop’ren ploert te fel,
En vaker nog is men hem even kwijt,
Ja, glans is fraai, doch alle glans zo frêle,
Zo licht verziekt door pech of door de tijd;
Doch eeuwig zal jouw zomer blijven duren
En ook jouw glans zal tanen noch vergaan
Ja, zelfs de dood zal ’t mettertijd bezuren
Want mijn gedicht zal zelfs zijn macht weerstaan.
Zo lang men leest hoe ik dit heb verwoord
Net zó lang leeft ‘t, en leef jij erin voort.

Shall I compare thee to a summer’s day?
Thou art more lovely and more temperate.
Rough winds do shake the darling buds of May
And summer’s lease hath all too short a date;
Sometime too hot the eye of heaven shines,
And often is his gold complexion dimmed,
And every fair from fair sometime declines,
By chance, or nature’s changing course untrimmed;
But thy eternal summer shall not fade,
Nor lose possession of that fair thou ow’st,
Nor shall death brag thou wand’rest in his shade,
When in eternal lines to time thou grow’st:
So long as men can breathe or eyes can see,
So long lives this, and this gives life to thee.

[A sonnet is in verse form and has fourteen lines of iambic pentameter.
Shakespeare’s sonnets follow the pattern “abab cdcd efef gg”]

You may also like...