Het voegwoord dat

Persoonlijk zie ik er geen been in, om onderwerps- of voorwerpszin met een komma te scheiden van de hoofdzin. Zoals bijvoorbeeld in voorgaande openingszin of in de zin: Het gaat niemand wat aan, op wie Jair straks stemt.
Nu wil het toeval dat voorwerps- en onderwerpszinnen dikwijls ingeleid worden met het voegwoord dat. Daarom schreef ik trouw een komma, als er in de hoofdzin een voorlopig onderwerp of voorwerp voorkwam. Was dat een regel?
Nee. Deze vrije Fries denkt niet zo in regels en wetten, vrees ik, tenzij het die der logica zijn.
Als ik een rechter was, zou ik me vermoedelijk ook meer laten leiden door redelijk- en billijkheid dan door wetteksten — doch dit terzijde.

Tot en met mijn vertaling van een Franse verhalenbundel leefde, dacht en schreef ik dan ook in vrijheid en blijheid — voor de vuist weg dus. Totdat ik vriend Sytze een paar hoofdstukken liet proeflezen …
Hè? Waarom ik uitgerekend een Fries een Hollandse vertaling liet proeflezen?
Omdat ik geen Hollanders ken die hun eigen taal beheersen. Ze zullen er wel zijn, maar die vallen buiten mijn vriendenkring …
Wat?
Een heel kleine vriendenkring, ja. Waarom? Wel, omdat ik niet zo’n toegankelijke koter ben, denk ik; het wordt me gauw te druk.

Maar ter zake …
Ik liet dus iemand met verstand van zaken een paar stukken van mijn werk lezen en die sloeg me toen om de rode oortjes met: Als twee zinnen met een voegwoord tot één zin gecombineerd worden, staat er vaak een komma tussen de zinnen. Het voegwoord dat is een uitzondering.
[was getekend: Genootschap Onze Taal]

Ik loop dus het risico dat een Hollander buiten mijn vriendenkring, die Arsène Lupin, ladelichter van eer (of eerder vertaalwerk van mij) ter hand neemt, het boek onmiddellijk weer terzijde legt omdat … ‘Deze vertaler kent de regels van het Genootschap Onze Taal niet eens.’
Lig ik daar wakker van? Geen seconde. Maar, vanaf die tijd neukt deze kommaneuker nergens een komma meer neer vooraf aan het voegwoord dat, want … regels zijn regels.