Anders

Er wordt veel lippendienst bewezen aan: “Het is maar goed dat we niet allemaal gelijk zijn!”
Maar, zoals ik in mijn post Big Brother van 15 juli jl. al even aangaf: Wee je gore gebeente, als je je klotekop boven het maaiveld uit steekt!

Laatst op een avond, toen de koperen ploert eindelijk van de lucht was en er een verkoelend briesje van de Rio Guadiana opsteeg, zaten we bij vrienden copieus te dikkedakken.
Een schaars geklede deerne uit Lissabon die die avond kennelijk hand- en spandiensten verleende aan de gastvrouwe, zag erop toe dat mijn innerlijke mens nat gehouden werd. Telkens als ze, nog voor ik de laatste teug uitgedronken had, mijn glas bijvulde, schonk ze me niet alleen wijn, maar ook een hartverwarmende glimlach. Haar weelderige vormen, nog geaccentueerd door een nietsverhullend transparant niemendalletje dat voor jurkje moest doorgaan, én haar wijn brachten deze jongen in een opperbeste stemming. Zij was de vleesgeworden uitschuiftafeldame van Toon Hermans. En die van mij had als extraatje een wulps vlindertje op haar schouder.
Ik moest alleen even in de kieren houden dat mijn vrouw haar mes bleef vasthouden op de manier zoals dat betamelijk is bij het nuttigen van een maaltijd. Haar Latijnse temperament heeft het namelijk niet zo op vrouwelijke aandacht als ondergetekende het onschuldige doelwit is. Met de nadruk op onschuldige, want gek genoeg lijkt mij nooit enige blaam te treffen. Ofschoon ik mijn waardering in woord en gebaar voor vinologisch en gynaecologisch schoon niet of nauwelijks onder stoelen of banken pleeg te steken.

Afijn, jullie hebben de couleur locale wel ongeveer op het netvlies, schat ik. Mijn weldoenster had zojuist opnieuw een nadeinende zachte landing gemaakt op de harde stoel aan het andere einde van de tafel aan de zijde van de gastvrouw, nadat ze mij net weer een gulle kelk en dito glimlach geschonken had, toen ze zich voor iedereen verstaanbaar liet ontvallen: “Ik moet geen zwarten!”
Ik zou net een flinke teug nemen. Het leeuwendeel belandde evenwel op mijn smetteloos witte overhemd. Ik wist niet of die opmerking inhaakte op iets wat een disgenoot gezegd had, maar dat deed er niet zoveel toe — zij was niet mis te verstaan.
“Waar slaat dat nou op?” mengde ik me ongevraagd in het gesprek.
“Nou, ik moet ze gewoon niet”, weigerde mijn tafeldame de grenzeloze domheid van haar uiting in te zien.
“Omdat…?”
“Ze zijn zo… eh, kweenie… zo anders.”
Ik hoefde opeens geen wijn meer, tenminste niet van die dikke, vette uitgezakte muts met tieten tot op haar knieën. En dat vlindertje was opeens een vieze, gore inktvlek. En, om maar weer met Toon te spreken, ´t was net of ´t vlekkie groter werd.

Wat zegt u? Vrouwonvriendelijk? Ik? Discrimineer ik?

Ik ontdekte dat ik racist was, toen ik een jaar of elf was. Ik lag in het AZG en mij was verteld dat er zo iemand zou komen om me voor te bereiden op mijn operatie. Niet dat ik die al met vaste hand uitvoerde op die leeftijd; neenee, ik bevond me destijds nog aan de puntige kant van de scalpel.
Afijn, mijn kamerdeur ging open en er trad een bloedmooie verpleegster binnen. Ik kreeg een bloedrode kop en heb haar tijdens de hele uitleg en instructie met open mond aan zitten staren, zonder een woord uit te brengen. Ik kan nu, ruim een halve eeuw later, nog een bloedrode kop krijgen van schaamte. Schaamte over het feit dat ik me geen houding wist te geven en een vreselijk onbehoorlijke indruk bij haar nagelaten moet hebben.
In onze woonplaats leefden hele volksstammen die afkomstig waren uit het huidige Indonesië. Sterker nog, de liefde van mijn leven (op dat moment!) was van Indische komaf. Alleen, een inktzwarte medemens had deze koter nog nooit gezien.
Misschien dat straks een inktzwarte oud-verpleegster in Groningen deze woorden leest en bij zichzelf denkt: “Oh, was jij dat, die hork?”

Ja, dat was ik.

You may also like...

2 Responses

  1. Joke says:

    Jaap. Jaap, wat hebben we genoten van je mooie verhaal. Lieve groetjes van Eef en ikke.

  2. Jaap Slager says:

    Dat is mooi meegenomen! Zoals de titel al doet vermoeden, was ik ook nu weer van plan iets heel … eh, anders neer te pennen. Maar ja, je hebt het niet altijd in de hand, hè, het schrijfgerei. In figuurlijke zin dan. Dus bij 650 woorden dacht ik: morgen maar weer eens proberen 🙂